Oefening werkwoordspelling - verleden tijd
|
delen |
|
werken |
|
deel |
stam |
werk |
|
ik, jij, het deelde |
stam+de/te |
ik, jij, het werkte |
|
wij, jullie, zij deelden |
stam+den/ten |
wij, jullie, zij werkten |
Als de stam eindigt op d of t, wordt de verleden tijd met een dubbele medeklinker geschreven.
|
smeden |
|
vergroten |
|
smeed |
stam |
vergroot |
|
ik, jij, het smeedde |
stam+de/te |
ik, jij, het vergrootte |
|
wij, jullie, zij smeedden |
stam+den/ten |
wij, jullie, zij vergrootten |
1.
De storm verwoes …… (verwoesten) ons tuinhuisje.
2.
Het team lan …… (landen) gisteren pas laat op Schiphol. 3. Hij beklee .…… (bekleden) de stoel opnieuw.
4. De kinderen lach…… (lachen) toen hij weer eens mors …… (morsen).
5. Ik vermoe …… (vermoeden) dat al.
6. Wij vermoe …… (vermoeden) dat de verzekering het vergoe …… (vergoeden).
7. Mijn vriend pos …… (posten) de aanvraag nog net op tijd.
8. Hij race …… (racen) met zijn scooter naar huis.
9. Hoe lang brand …… (branden) die kaarsen?
10. Mijn auto star …… (starten) vanmorgen niet.
11. Wij mel …… (melden) ons al vroeg.
12. Het toch …… (tochten) in dat bijgebouw verschrikkelijk.
13. Mijn moeder hech …… (hechten) veel waarde aan die lepels.
14. De meisjes staar …… (staren) me al een tijdje aan.
15. De kranten berich …… (berichten) de volgende dag niets over het voorval.
16. Waar bestel …… (bestellen) jij die taart?
17. Hij verbaas …… (verbazen) er zich niet over.
18. De jongens vergroo …… (vergroten) de voorsprong.
Reacties
Een reactie posten